Geschillenregeling bij het adviesrecht
Het beroepsrecht van de OR bij de Ondernemingskamer heeft uitsluitend betrekking op de in art. 25 (adviesrecht) omschreven belangrijke financieel economische en bedrijfsorganisatorische besluiten van de ondernemer. De OR heeft dus geen beroepsrecht bij de Ondernemingskamer met betrekking tot zijn overige bevoegdheden, zoals het adviesrecht met betrekking tot de benoeming van een bestuurder.
De Ondernemingskamer oordeelt of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen. Daarvan kan sprake zijn, indien het adviesrecht is genegeerd, dan wel de adviesaanvraagprocedure niet naar behoren is gevolgd. Bovendien kunnen na het nemen van het definitieve besluit door de ondernemer nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die als zij de OR bekend waren geweest ten tijde van het uitbrengen van het advies, eventueel tot een ander advies zouden hebben geleid.
Het beroep moet worden ingesteld binnen een maand nadat de OR schriftelijk van het besluit in kennis is gesteld. Het wordt bij verzoekschrift ingesteld door tussenkomst van een procureur.
Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer valt af te leiden dat de Ondernemingskamer veel gewicht hecht aan een concrete en zorgvuldige adviesaanvraagprocedure, dat wil zeggen: tijdig en gemotiveerd advies vragen, overleg met de OR en motivering van een eventueel afwijkend besluit door de ondernemer.
De Ondernemingskamer gaat in ieder geval niet op de stoel van de ondernemer zitten. Bij een afwijkend besluit is de ondernemer verplicht de uitvoering van het besluit met één maand op te schorten, tenzij de OR te kennen geeft dat opschorting niet nodig is. Tijdens deze wachtperiode kan de OR het beroep desgewenst aanhangig maken. Voorts kan de Ondernemingskamer op verzoek van de OR een aantal zogenaamde voorlopige voorzieningen treffen. Daardoor wordt voorkomen dat de ondernemer zijn besluitvorming doorzet en de uitvoering in een zodanig stadium komt, dat terugdraaien of stopzetten ervan niet meer mogelijk is. Deze voorzieningen kunnen echter door derden verworven rechten niet aantasten. Binnen twee maanden na de beschikking van de Ondernemingskamer kunnen zowel de OR als de ondernemer cassatie instellen bij de Hoge Raad.





