Artikel 46a. Verplichte heffing

  1. De Raad kan aan ondernemers op wie op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen, bij verordening een heffing opleggen ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadsleden. Een zodanige verordening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
  2. Een heffing als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een percentage van het loon dat voor de betrokken ondernemers voor premie-berekening krachtens de Werkloosheidswet in aanmerking komt, dan wel zou komen indien van hen premie krachtens die wet zou worden geheven.
  3. Indien en voor zover de betrokken ondernemers werkgever zijn in de zin van de Ziektewet, wordt de heffing geïnd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
  4. De bedrijfscommissies zijn verplicht, aan de betrokken bedrijfsvereniging desgevraagd een opgave te verstrekken van de ondernemers op wie, naar hun bekend is, de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen. Tevens zijn de bedrijfscommissies verplicht, aan een bedrijfsvereniging of aan een ondernemer desgevraagd een schriftelijke verklaring te verstrekken waaruit blijkt of naar hun oordeel de hiervoor bedoelde verplichting op de betrokken ondernemer rust.
  5. Ten aanzien van de invordering van de heffing door het Landelijk instituut sociale verzekeringen zijn de artikelen 11 tot en met 16h van de Coördinatiewet Sociale Verzekering van overeenkomstige toepassing. Voor wat betreft het beroep tegen een heffingsaanslag wordt deze aanslag geacht te zijn opgelegd door de Sociaal-Economische Raad.
  6. In een verordening als bedoeld in het eerste lid wordt door de Raad bepaald:
    1. op welke wijze de afdracht van de heffing door de bedrijfsverenigingen aan de Raad geschiedt;
    2. welke vergoeding door de Raad aan de uitvoeringsinstellingen wordt verleend ter zake van de werkzaamheden, verbonden aan de inning van de heffing.
  7. Een verordening als bedoeld in het eerste lid wordt niet vastgesteld dan na overleg met het Landelijk instituut sociale verzekeringen.